1Een onderwijzing van David, een gebed, als hij in de spelonk was. Ik riep met mijn stem tot den HEERE; ik smeekte tot den HEERE met mijn stem. 2Ik stortte mijn klacht uit voor Zijn aangezicht; ik gaf te kennen voor Zijn aangezicht mijn benauwdheid. 3Als mijn geest in mij overstelpt was, zo hebt Gij mijn pad gekend. Zij hebben mij een strik verborgen op den weg, dien ik gaan zou. 4Ik zag uit ter rechterhand, en ziet, zo was er niemand, die mij kende, er was geen ontvlieden voor mij; niemand zorgde voor mijn ziel. 5Tot U riep ik, o HEERE! ik zeide: Gij zijt mijn Toevlucht, mijn Deel in het land der levenden. 6Let op mijn geschrei, want ik ben zeer uitgeteerd; red mij van mijn vervolgers, want zij zijn machtiger dan ik. 7Voer mijn ziel uit de gevangenis, om Uw Naam te loven; de rechtvaardigen zullen mij omringen, wanneer Gij wel bij mij zult gedaan hebben.
1I cry with my voice to Yahweh. With my voice, I ask Yahweh for mercy. 2I pour out my complaint before him. I tell him my troubles. 3When my spirit was overwhelmed within me, you knew my route. On the path in which I walk, they have hidden a snare for me. 4Look on my right, and see; for there is no one who is concerned for me. Refuge has fled from me. No one cares for my soul. 5I cried to you, Yahweh. I said, “You are my refuge, my portion in the land of the living.” 6Listen to my cry, for I am in desperate need. deliver me from my persecutors, For they are stronger than me. 7Bring my soul out of prison, that I may give thanks to your name. The righteous will surround me, for you will be good to me.
Druk op Enter om dit vers te markeren, er een notitie bij te schrijven of het te kopiëren. De pijltjes gaan naar het volgende vers.
Versnummers volgen de gekozen vertaling en kunnen in enkele hoofdstukken met één vers verschillen.
Statenvertaling (1637) · World English Bible (2000) · Bronnen en licenties