Naar de inhoud
Bèta

Psalmen 75

Dit hoofdstuk hoort bij: Boek III

1Voor den opperzangmeester, Altascheth; een psalm, een lied, voor Asaf. Wij loven U, o God; wij loven, dat Uw Naam nabij is; men vertelt Uw wonderen. 2Als ik het bestemde ambt zal ontvangen hebben, zo zal ik gans recht richten. 3Het land en al zijn inwoners waren versmolten; maar ik heb zijn pilaren vastgemaakt. Sela. 4Ik heb gezegd tot de onzinnigen: Weest niet onzinnig; en tot de goddelozen: Verhoogt den hoorn niet. 5Verhoogt uw hoorn niet omhoog; spreekt niet met stijven hals. 6Want het verhogen komt niet uit het oosten, noch uit het westen, noch uit de woestijn; 7Maar God is Rechter; Hij vernedert dezen, en verhoogt genen. 8Want in des HEEREN hand is een beker, en de wijn is beroerd, vol van mengeling, en Hij schenkt daaruit; doch alle goddelozen der aarde zullen zijn droesemen uitzuigende drinken. 9En ik zal het in eeuwigheid verkondigen; ik zal den God Jakobs psalmzingen. 10En ik zal alle hoornen der goddelozen afhouwen; de hoornen des rechtvaardigen zullen verhoogd worden.

Versnummers volgen de gekozen vertaling en kunnen in enkele hoofdstukken met één vers verschillen.

Statenvertaling (1637) · World English Bible (2000) · Bronnen en licenties

Leesgemak

Kies wat helpt. Je keuze blijft bewaard op dit toestel.

Tekstgrootte

Gebruik je liever de instellingen van je toestel (zoom, schermlezer, donkere modus)? Die werken hier ook gewoon.