Naar de inhoud
Bèta

Psalmen 76

Dit hoofdstuk hoort bij: Boek III

1Een psalm, een lied van Asaf, voor den opperzangmeester, op de Neginoth. God is bekend in Juda; Zijn Naam is groot in Israel. 2En in Salem is Zijn hut, en Zijn woning in Sion. 3Aldaar heeft Hij verbroken de vurige pijlen van den boog, het schild, en het zwaard, en den krijg. Sela. 4Gij zijt doorluchtiger en heerlijker dan de roofbergen. 5De stouthartigen zijn beroofd geworden; zij hebben hun slaap gesluimerd; en geen van de dappere mannen hebben hun handen gevonden. 6Van Uw schelden, o God van Jakob! is samen wagen en paard in slaap gezonken. 7Gij, vreselijk zijt Gij; en wie zal voor Uw aangezicht bestaan, van den tijd Uws toorns af? 8Gij deedt een oordeel horen uit den hemel; de aarde vreesde en werd stil, 9Als God opstond ten oordeel, om alle zachtmoedigen der aarde te verlossen. Sela. 10Want de grimmigheid des mensen zal U loffelijk maken; het overblijfsel der grimmigheden zult Gij opbinden. 11Doet geloften en betaalt ze den HEERE, uw God, gij allen, die rondom Hem zijt! Laat hen Dien, Die te vrezen is, geschenken brengen; 12Die den geest der vorsten als druiven afsnijdt; Die den koningen der aarde vreselijk is.

Versnummers volgen de gekozen vertaling en kunnen in enkele hoofdstukken met één vers verschillen.

Statenvertaling (1637) · World English Bible (2000) · Bronnen en licenties

Leesgemak

Kies wat helpt. Je keuze blijft bewaard op dit toestel.

Tekstgrootte

Gebruik je liever de instellingen van je toestel (zoom, schermlezer, donkere modus)? Die werken hier ook gewoon.