1Een psalm van David, als hij vlood voor het aangezicht van zijn zoon Absalom. O HEERE! hoe zijn mijn tegenpartijders vermenigvuldigd; velen staan tegen mij op. 2Velen zeggen van mijn ziel: Hij heeft geen heil bij God. Sela. 3Doch Gij, HEERE! zijt een Schild voor mij, mijn eer, en Die mijn hoofd opheft. 4Ik riep met mijn stem tot den HEERE, en Hij verhoorde mij van den berg Zijner heiligheid. Sela. 5Ik lag neder en sliep; ik ontwaakte, want de HEERE ondersteunde mij. 6Ik zal niet vrezen voor tienduizenden des volks, die zich rondom tegen mij zetten. 7Sta op, HEERE, verlos mij, mijn God; want Gij hebt al mijn vijanden op het kinnebakken geslagen; de tanden der goddelozen hebt Gij verbroken. 8Het heil is des HEEREN; Uw zegen is over Uw volk. Sela.
1Yahweh, how my adversaries have increased! Many are those who rise up against me. 2Many there are who say of my soul, “There is no help for him in God.” Selah. 3But you, Yahweh, are a shield around me, my glory, and the one who lifts up my head. 4I cry to Yahweh with my voice, and he answers me out of his holy hill. Selah. 5I laid myself down and slept. I awakened; for Yahweh sustains me. 6I will not be afraid of tens of thousands of people who have set themselves against me on every side. 7Arise, Yahweh! Save me, my God! For you have struck all of my enemies on the cheek bone. You have broken the teeth of the wicked. 8Salvation belongs to Yahweh. Your blessing be on your people. Selah.
Druk op Enter om dit vers te markeren, er een notitie bij te schrijven of het te kopiëren. De pijltjes gaan naar het volgende vers.
Versnummers volgen de gekozen vertaling en kunnen in enkele hoofdstukken met één vers verschillen.
Statenvertaling (1637) · World English Bible (2000) · Bronnen en licenties