Naar de inhoud
Bèta

Psalmen 56

Dit hoofdstuk hoort bij: Boek II

1Een gouden kleinood van David, voor den opperzangmeester, op Jonath Elem Rechokim; als de Filistijnen hem gegrepen hadden te Gath. Wees mij genadig, o God! want de mens zoekt mij op te slokken; den gansen dag dringt mij de bestrijder. 2Mijn verspieders zoeken mij den gansen dag op te slokken; want ik heb veel bestrijders, o Allerhoogste! 3Ten dage, als ik zal vrezen, zal ik op U vertrouwen. 4In God zal ik Zijn woord prijzen; ik vertrouw op God, ik zal niet vrezen; wat zoude mij vlees doen? 5Den gansen dag verdraaien zij mijn woorden; al hun gedachten zijn tegen mij ten kwade. 6Zij rotten samen, zij versteken zich, zij passen op mijn hielen; als die op mijn ziel wachten. 7Zouden zij om hun ongerechtigheid vrijgaan? Stort de volken neder in toorn, o God! 8Gij hebt mijn omzwerven geteld; leg mijn tranen in uw fles; zijn zij niet in Uw register? 9Dan zullen mijn vijanden achterwaarts keren, ten dage als ik roepen zal; dit weet ik, dat God met mij is. 10In God zal ik het woord prijzen; in den HEERE zal ik het woord prijzen. 11Ik vertrouw op God, ik zal niet vrezen; wat zou mij de mens doen? 12O God! op mij zijn Uw geloften; ik zal U dankzeggingen vergelden; 13Want Gij hebt mijn ziel gered van den dood; ook niet mijn voeten van aanstoot, om voor Gods aangezicht te wandelen in het licht der levenden?

Versnummers volgen de gekozen vertaling en kunnen in enkele hoofdstukken met één vers verschillen.

Statenvertaling (1637) · World English Bible (2000) · Bronnen en licenties

Leesgemak

Kies wat helpt. Je keuze blijft bewaard op dit toestel.

Tekstgrootte

Gebruik je liever de instellingen van je toestel (zoom, schermlezer, donkere modus)? Die werken hier ook gewoon.