Naar de inhoud
Bèta

Psalmen 6

Dit hoofdstuk hoort bij: Boek I

1Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op de Neginoth, op de Scheminith. O HEERE, straf mij niet in Uw toorn, en kastijd mij niet in Uw grimmigheid! 2Wees mij genadig, HEERE, want ik ben verzwakt; genees mij, HEERE, want mijn beenderen zijn verschrikt. 3Ja, mijn ziel is zeer verschrikt; en Gij, HEERE, hoe lange? 4Keer weder, HEERE, red mijn ziel; verlos mij, om Uwer goedertierenheid wil. 5Want in de dood is Uwer geen gedachtenis; wie zal U loven in het graf? 6Ik ben moede van mijn zuchten; ik doe mijn bed den gansen nacht zwemmen; ik doornat mijn bedstede met mijn tranen. 7Mijn oog is doorknaagd van verdriet, is veroud, vanwege al mijn tegenpartijders. 8Wijkt van mij, al gij werkers der ongerechtigheid; want de HEERE heeft de stem mijns geweens gehoord. 9De HEERE heeft mijn smeking gehoord; de HEERE zal mijn gebed aannemen. 10Al mijn vijanden zullen zeer beschaamd en verbaasd worden; zij zullen terugkeren, zij zullen in een ogenblik beschaamd worden.

Versnummers volgen de gekozen vertaling en kunnen in enkele hoofdstukken met één vers verschillen.

Statenvertaling (1637) · World English Bible (2000) · Bronnen en licenties

Leesgemak

Kies wat helpt. Je keuze blijft bewaard op dit toestel.

Tekstgrootte

Gebruik je liever de instellingen van je toestel (zoom, schermlezer, donkere modus)? Die werken hier ook gewoon.