1Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op de Neginoth. O God! hoor mijn geschrei, merk op mijn gebed. 2Van het einde des lands roep ik tot U als mijn hart overstelpt is; leid mij op een rotssteen, die mij te hoog zou zijn. 3Want Gij zijt mij een Toevlucht geweest, een sterke Toren voor den vijand. 4Ik zal in Uw hut verkeren in eeuwigheden; ik zal mijn toevlucht nemen in het verborgene Uwer vleugelen. Sela. 5Want Gij, o God! hebt gehoord naar mijn geloften; Gij hebt mij gegeven de erfenis dergenen, die Uw Naam vrezen. 6Gij zult dagen tot des konings dagen toedoen; zijn jaren zullen zijn als van geslacht tot geslacht; 7Hij zal eeuwiglijk voor Gods aangezicht zitten; bereid goedertierenheid en waarheid, dat zij hem behoeden. 8Zo zal ik Uw Naam psalmzingen in eeuwigheid; opdat ik mijn geloften betale, dag bij dag.
1Hear my cry, God. Listen to my prayer. 2From the end of the earth, I will call to you, when my heart is overwhelmed. Lead me to the rock that is higher than I. 3For you have been a refuge for me, a strong tower from the enemy. 4I will dwell in your tent forever. I will take refuge in the shelter of your wings. Selah. 5For you, God, have heard my vows. You have given me the heritage of those who fear your name. 6You will prolong the king’s life; his years shall be for generations. 7He shall be enthroned in God’s presence forever. Appoint your loving kindness and truth, that they may preserve him. 8So I will sing praise to your name forever, that I may fulfill my vows daily.
Druk op Enter om dit vers te markeren, er een notitie bij te schrijven of het te kopiëren. De pijltjes gaan naar het volgende vers.
Versnummers volgen de gekozen vertaling en kunnen in enkele hoofdstukken met één vers verschillen.
Statenvertaling (1637) · World English Bible (2000) · Bronnen en licenties